Wateroverlast, een probleem van de rivier of de riool?

Dinsdag 10 juli 2012 — Bij langdurige of hevige regenbuien treden waterlopen vaker buiten hun oevers en kunnen ook riolen het water niet altijd voldoende afvoeren. De oorzaken van de toenemende wateroverlast zijn divers, maar onze ruimtelijke ordening en de toenemende klimaatverandering spelen duidelijk een rol.

Zomer- en winterneerslag

Het overgrote aandeel van de rioolstelsels in Vlaanderen zijn van het gemengde type. Dat betekent dat ze zowel afval- als regenwater transporteren. Op die rioolstelsels zijn nooduitlaten voorzien - overstorten- die een deel van het water gecontroleerd in een beek of rivier lozen, als het rioolstelsel bij een hevige bui te vol geraakt. Volgens de code van goede praktijk voor het ontwerp van een rioolstelsel, mag dat een beperkt aantal keer per jaar gebeuren. Slechts één keer om de vijf jaar mag het stelsel zo vol komen te zitten, dat het water een uitweg zoekt naar de straat.

Tegenwoordig doen er zich in de zomer vaker korte maar hevige regenbuien voor. Die buien zorgen met grotere regelmaat dan één keer om de vijf jaar voor wateroverlast. Dat komt omdat de capaciteit van het rioolstelsel berekend is op basis van historische neerslaggegevens, en niet op basis van het huidige veranderende neerslagpatroon. In de nieuwe ontwerpcode van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, die van kracht wordt in 2012, wordt de capaciteit van rioolstelsels zodanig berekend dat er zich nog maar eens in de twintig jaar een bui mag voordoen die niet door het rioolstelsel verwerkt kan worden. Bij de nieuwe berekening worden ook de toegenomen neerslagintensiteiten van de voorbije 10 à 15 jaar in acht genomen. Van zodra de nieuwe code van toepassing is, worden uitbreidingen aan bestaande rioolstelsels dus volgens de bijgestelde ontwerpcriteria berekend.

De nieuwe ontwerpcriteria zullen het aantal keer dat er zich wateroverlast voordoet op termijn zeker verminderen, maar het blijft onmogelijk om rioolstelsels te beveiligen tegen regenval zoals die zich op 5 en 6 juli voordeden in verschillende Belgische gemeenten. In het oosten van Oost-Vlaanderen, het westen van Vlaams-Brabant en in het centrum van Henegouwen werden neerslagtotalen van plaatselijk meer dan 50 l/m² opgetekend, wat wijst op buien met een terugkeerperiode van meer dan 100 jaar. Geen enkele ontwerpcode zal ooit voorzien in de opvang en afvoer van zulke hoeveelheden water. Die investering zou onbetaalbaar zijn. En het is uiteraard helemaal onmogelijk om de bestaande rioolstelsels op zo’n watervloed af te stemmen. Toch zijn er heel wat maatregelen mogelijk om de grootste waterellende te voorkomen (zie verder).

Terwijl wateroverlast in de zomer te maken kan hebben met de rioolcapaciteit, is wateroverlast in de winter meestal het gevolg van een gebrek aan bergings- en afvoercapaciteit op de waterlopen. In de winter is de waterstand in beken en rivieren sowieso hoger, doordat het over langere periodes regent dan in de zomer.  Soms verhindert de hoge beekstand de werking van de nooduitlaten op de riool. Daardoor verhoogt de druk in het hele rioolstelsel, met als gevolg dat het water op verschillende plaatsen de straat opstroomt.  Een bui die lang niet zo hevig is als een zomers onweer, kan bij hoge waterstanden dus toch voor aanzienlijke wateroverlast zorgen.

Ruimte voor water

In een dichtbebouwd land als België valt wateroverlast nooit helemaal te vermijden. Toch kunnen er binnen een integraal waterbeleid verschillende maatregelen genomen worden die het probleem verkleinen.  Voor de hand liggend is niet bouwen in overstromingsgevoelig gebied, of ‘waterproof bouwen’. Voor zover het economisch verantwoord is, kan ook de bestaande bebouwing beschermd worden. Maar de belangrijkste oplossing is toch ruimte voorzien voor water. Om wateroverlast te verminderen, moeten we neerslag waar mogelijk in de bodem laten infiltreren en het extra debiet op de waterloop bufferen.

Maatregelen inzake rioleringsaanpak

De gescheiden rioleringsstelsels die tegenwoordig worden aangelegd, hebben als voordeel dat hemelwater en huishoudelijk afvalwater niet gemengd worden. Toch voorkomt het regenwater via een aparte buis afvoeren op zich geen wateroverlast.  De afvoer via zo’n buis naar een waterloop, gaat immers behoorlijk snel.

Het regenwater opvangen in waterputten voor later hergebruik is goed voor de natuur, maar helpt ook niet substantieel tegen wateroverlast. Bij echt felle zomeronweders, is het volume dat niet naar de riolering afstroomt nog te klein om effectief te zijn tegen wateroverlast.

Bij infiltratie van regenwater in de bodem, zijn de volumes  die niet naar de riolering afstromen wél significant. Infiltratie is mogelijk via verschillende systemen, zowel op particulier als op openbaar domein. De insijpeling van hemelwater in de grond gaat véél trager dan de directe afstroming naar een waterloop, of de afvoer via een buis. Infiltratie is natuurlijk alleen mogelijk op plaatsen waar de grondwaterstand voldoende laag is en de grond goed doordringbaar is. Zelfs de afvoer via grachten heeft dan een zekere infiltrerende werking.

Buffering van water op riolering zelf is een optie die wel eens overwogen wordt, maar ze is duur en veelal weinig effectief. Ook de impact van bergbezinkingsbekkens op het rioolstelsel, wordt vaak overschat als maatregel tegen wateroverlast. Bij buien die niet te zwaar zijn, vermindert dit soort bekkens wel de werking van de overstorten op de riolen. Het teveel aan rioolwater wordt dan tijdelijk geborgen in zo’n bekken, tot de waterstand in de riool weer laag genoeg is en het water in het bekken naar de zuiveringsinstallatie kan worden gevoerd.  Maar als het om zeer hevige of langdurige buien gaat, zijn de volumes die in dit soort bekkens gebufferd worden, opnieuw te klein om echt significant te zijn in de strijd tegen wateroverlast. Buffering op de waterlopen zelf is een veel betere maatregel.

Vroeger was het wegens de slechte waterkwaliteit onmogelijk om natuurlijke of kunstmatige buffers op waterlopen te voorzien. Het water dat in een overstromingsgebied terecht kwam, liet te veel vervuiling achter en maakte de grond onbruikbaar voor andere doeleinden. Door de uitbouw van de zuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen, is het water dat naar een overstromingsgebied wordt afgeleid, steeds minder vervuild. Van 1990 tot nu is het aantal inwoners aangesloten op de waterzuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen al gestegen van 30% naar 78%.

- einde persbericht -

In bijlage:

Grafiek 1: aanduiding van een bui met een neerslagvolume van  50 l/m² en duur van 24 u (= rode bol) op de IDF-curve van Ukkel. (De IDF-curve is de Intensiteit – Duur – Frequentiecurve die de relatie weergeeft tussen de duur van een bui, de intensiteit en de terugkeerperiode (= de tijd die statistisch gezien zit tussen het voorkomen van een dergelijk neerslagevent).  Je ziet duidelijk dat deze neerslag een terugkeerperiode T heeft van ongeveer 100 jaar (d.w.z. dat de neerslag dus statistisch gezien slechts één keer voorkomt in een periode van 100 jaar).

Grafiek 2:

concrete neerslagvolumes/tijd voor de Vlaamse gemeenten die tussen 5 en 6 juli het meeste wateroverlast te verwerken kregen eens uitgezet (bron: http://www.kmi.be/meteo/view/nl/8214984-De+overvloedige+neerslag+van+5+juli+2012.html).  Ook deze liggen allemaal boven T = 100 jaar.

Grafiek 1
Grafiek 2
Regenwaterbuffering buiten het rioolstelsel in Lichtervelde (foto Jan Locus)

Contacteer ons

Sabine Schellens

Woordvoerder Aquafin

Aquafin

Published with Prezly